Home     Grasduinen     Over     Zoektips     FAQs     Disclaimer     Meertens Instituut         english

Nederlandse Liederenbank


DE LITERAIRE CANON VAN HET NEDERLANDSE LIED      

terug

8. Het daghet inden oosten

uitleg


Middeleeuwse ballade: een tragische liefdesgeschiedenis.
 
‘Het daghet inden oosten,
Het lichtet overal.
Hoe luttel weet mijn liefken,
Och, waer ick henen sal.’
 
‘Och warent al mijn vrienden
Dat mijn vianden zijn!
Ick voerde u uuten lande,
Mijn lief, mijn minnekijn.’
 
‘Dats waer soudi mi voeren,
Stout ridder wel gemeyt?
Ic ligge in mijns liefs armkens
Met grooter waerdicheyt.’
 
‘Ligdy in uus liefs armen?
Bilo, ghi en segt niet waer!
Gaet henen ter linde groene,
Versleghen so leyt hi daer.’
 
Tmeysken nam haren mantel
Ende si ghinc eenen ganck
Al totter linde groene,
daer si den dooden vant.
 
‘Och, ligdy hier verslaghen,
Versmoort al in u bloet?
dat heeft gedaen u roemen
Ende uwen hooghen moet.
 
Och, lichdy hier verslaghen,
die mi te troosten plach?
Wat hebdy mi ghelaten?
So menighen droeven dach.’
 
Tmeysken nam haren mantel
Ende si ghinck eenen ganck
Al voor haers vaders poorte,
die si ontsloten vant.
 
‘Och, is hier eenich heere
Oft eenich edel man,
die mi mijnen dooden
Begraven helpen can?’
 
Die heeren sweghen stille,
Si en maecten gheen geluyt.
Dat meysken keerde haer omme,
Si ghinc al weenende uut.
 
Si nam hem in haren armen,
Si custe hem voor den mont
In eender corter wijlen
Tot also menigher stont.
 
Met sinen blancken swaerde
Dat si die aerde op groef;
Met haer snee witten armen
Ten grave dat si hem droech.
 
‘Nu wil ic mi gaen begeven
In een cleyn cloosterkijn
Ende draghen swarte wijlen
Ende worden een nonnekijn.’
 
Met haer claer stemme
Die misse dat si sanck,
Met haer snee witten handen
dat si dat belleken clanck.
 
Uit het Antwerps liedboek (1544)
 
alt
Vroeg in de ochtend begeeft een jongeman zich naar een duel. Zijn geliefde, met wie hij de nacht heeft doorgebracht, weet van niets. De jongeman wordt gedood en de overwinnaar deelt dat het meisje persoonlijk mee, onder haar raam. Ze vindt het lijk van haar geliefde onder een linde. Niemand durft te haar te helpen bij de begrafenis; blijkbaar was de overwinnaar een gevreesd man. Dan delft het meisje zelf maar een graf, met het zwaard van haar geliefde. Tenslotte gaat ze het klooster in.

Het Antwerps Liedboek heeft zelf geen muzieknotatie maar de melodie kon opgespoord worden doordat in de bundel Souterliedekens (1540) naar dit lied verwezen wordt in een wijsaanduiding, terwijl de melodie daar ook in noten gegeven wordt.
 
Overgenomen van de CD Souterliedekens van Camerata Trajectina, Globe GLO 6020 (1994), gezongen door (in volgorde van opkomst) Sytse Buwalda, Job Boswinkel, Suze van Grootel en Marius van Altena.