Home     Grasduinen     Over     Zoektips     FAQs     Disclaimer     Meertens Instituut         english

Nederlandse Liederenbank

        - strofezoeken
        - melodiezoeken met klavier        
  
sorteer op



genre:                                        

moralistisch lied

categorie: godsdienst
lied met een moraal (zedenles), die meestal in de laatste strofe wordt gegeven naar aanleiding van een verhaal waarin een zedelijke fout wordt gemaakt. Behalve geestelijke zijn er ook wereldlijke moralistische liederen. Verwant met bespiegelend lied en vermaanlied.

Genre moralistisch lied: 716 liederen.


voorbeeld 1



voorbeeld 2

Een droevig Verhaal, van een heer die een Dootshooft te gast noden,

Og dwase Mense wilt aenmerken,
en luystert na dit droevig lied,
aensiet dog Jesus wonder werken,
wat dat nu onlangs is geschiet,
en hoe dat God in dese dagen,
een Heer was groot,
om syn goddeloosheyt quam plagen,
al met de dood.

[De heer lijdt een liederlijk leven en geeft om God noch gebod. Eens ziet hij op het kerkhof een doodshoofd liggen. Hij nodigt het uit om 's avonds bij hem te komen eten en geeft het een trap.
's Avonds verschijnt inderdaad de Dood aan zijn deur, die de heer meeneemt naar de hel. Tenslotte volgt de moraal:]

Og Christe mense betert u leven,
neemt een exempel aen dit lied:
wat dat te Koetsvelt staet geschreven:
alwaer dit wonder is geschiet,
gelooft in alle Christen kerken:
nu wie gy syd
dan sult ge godvrugtelijk werken,
u Zaligheyd.

Uit: Verzameling volks- en straatliedjes (collectie Nijhoff, ca. 1700)

naar dit lied
Lisette is een boerenmeisje dat het hoog in de bol heeft. Zij wijst Colijn af, een goeie boerenjongen, omdat ze liever met een stedeling zou trouwen. Helaas verschijnt er nooit een stedeling aan haar deur. Zo wordt ze langzamerhand een oude vrijster. De moraal verschijnt in het laatste couplet: Meisjes, als zich een geschikte vrijer aandient, sla toe, voordat je zoals Lisette de boot mist.

Het bedrogene Meisje.
 
Colijn, een brave boerenzoon,
Het puikje van de dorpelingen,
Arbeidzaam, welgemaakt en schoon,
Dorst naar Lisettes hand te dingen.
Het meisje, schoon ook een' boerin,
Had echter, soms, de stad bekeken,
En hier door was haar hart en zin
Van veld en kudde gansch geweken.
 
Neen, sprak de fiere, zeker, neen!
Geen boer zal ooit mijn hart verwinnen!
Colin trad nu gramstorig heen,
En ging de zachte Filis minnen.
Nu dorst geen enkle boer aan haar
Te denken, noch veel min te vragen.
Zij wachtte dus van jaar tot jaar,
Daar ook geen steêman op kwam dagen.
 
Thans is zij veertig jaren oud;
Haar schoon gelaat is gansch bezweken,
En 't meeste, dat haar bezig houdt,
Is, kwaad van jonge liên te spreken.
Zij gloeit van spijt en felle smart,
Als zij Colijns geluk hoort roemen,
Daar zij, in 't heimlijk, in haar hart,
Zich om haar dwaasheid zelf moet doemen!
 
Meisjes, die gaarne waart getrouwd!
Laat u Lissett' een voorbeeld wezen,
Dat ge op geen dwaze hoop vertrouwt,
Wijl gij dan ook haar lot moogt vrezen!
Als 't u een brave jongen vraagt,
Laat hem dan ook u hand verwerven,
Terwijl gij anders ligtlijk waagt,
Als oude vrijsters nog te sterven.

Uit: Volks-liedjens, uitgegeeven door de Maatschappij tot nut van 't algemeen V (1807)
naar dit lied