Home     Grasduinen     Over     Zoektips     FAQs     Disclaimer     Meertens Instituut         english

Nederlandse Liederenbank


28. CHRISTELIJCK GEVECHT

'Daer moet veel strijdts gestreden sijn' is de oudste dichtregel die we van Camphuysen kennen. Het thema 'strijd' komt in zijn latere gedichten vaak terug. Het gaat dan niet alleen om de innerlijke strijd tegen de verleiding, maar ook om de uiterlijke strijd van Camphuysen en de zijnen tegen de vervolgers. Geen strijd met echte wapens, maar door middel van het geestelijke wapen van het lijdelijk verzet.

0:00
Christelijck Gevecht I.
Zang: Frogs Gailiarde [John Dowland]

Van te strijden wil ick zingen, zingen een aendachtigh (*1) Liedt:
Hoe de mensch, die wel wil strijden, heeft te strijden, en hoe niet.
Al de Werelt is vol strijdens. Strijden is menigerhandt;
Strijden dijdt (*2) somtijdts tot eere; strijden dient somtijdts tot schandt.
Menigh strijdt een dwaess'lijck strijden, om 't gering, op 't ongewis;
Menigh strijdt een wijss'lijck strijden, om 't geen strijdens waerdigh is.
Somtijdts strijdt de mensch een strijden dat met Godes wille strijdt:
Somtijdts strijdt de mensch een strijden daer den Hemel in verblijdt.

(*1): vroom
(*2): strekt

1:22
[Christelijck Gevecht, deel] II.
Zang: als op 't vpprgaende [Frogs Gaillarde].
oock aldus: [alternatieve, ongeïdentificeerde melodie, hier uitgevoerd]

't Wapen dat ghy aen moet hebben,
daer ghy mede moet te veldt,
Daer ghy strijdt me'e moet beginnen
tegen 't Geestelijck geweldt,
Tegen al 't bedrogh en listen
van een zoo gezwindt Vyandt,
Is het Geestelijcke Wapen
't welck uw Godt u schickt ter handt.
Dit moet ghy geheel aentrecken.
Niet een stuck en mach'er van.
(Waermen hem maer bloot kan vinden,
treftmen strax zijn vyandt a'n)
Dit moet ghy geheel aentrecken,
om, wanneer't aen 't strijden geldt,
Vast te staen; en onbeweeghlijck (*1),
u te dragen als een heldt.

(*1): onverschrokken

2:03
[Christelijck Gevecht, deel] III.
Zang: Mein hert is betrubt biss in dem thodt, Fa la la la la la la la la la.

De kroon is niet zoo waerdt en zoet
Waer aen men licht geraken kan,
Dan die, gehaelt door zweet en bloedt,
Niet staet gereedt voor alle man.

Dat d'Aerdtsche mensch het hooghste Goedt
Goetdunckentlijck verhopen derf,
Is om dat hy niet wel bevroedt
De waerdicheydt van 's Hemels erf.

Die in zijn herte na waerdy
d'Onsterffelijckheydt heeft geschat,
Geloofd' eer datzer niet en zy
Dan datmenz' heeft door lichter Padt (*1).

(*1): gelooft eerder dat de onsterfelijkheid niet bestaat dan dat ze gemakkelijk te verwerven zou zijn.

Camerata Trajectina (artiest), Bavianen en Slijkgeuzen: Liederen van Remonstranten en Contra-Remonstranten. GLO 6031
1995
1: 28b