Home     Grasduinen     Over     Zoektips     FAQs     Disclaimer     Meertens Instituut         english

Nederlandse Liederenbank


19. MEN HOORT NU SEVEN WIJVEN KIJVEN

Robbert Robbertsz le Canu (1563-na 1630) had ooit een klaaglied op de dood van Arminius geschreven (1610) maar zag geen heil in de verdeeldheid der christenen. Hij noemde zichzelf 'neutralist'. De kerkgenootschappen waren voor hem als zeven vrouwen die om Christus' hand ruzie├źn. De oudste wil niemand meer hebben. Ze heeft haar goedje verteerd met romenij (zoete wijn) en we begrijpen: deze zuster is rooms-katholiek. De tweede ziet graag knaapjes op de 'lute' spelen: een lutherse dus. De derde zuster eet graag kalfsbout - een calviniste. De vierde is doopsgezind, want ze doopt haar eigen brood in het vet. De laatste twee zusters zijn contraremonstrants en remonstrants. De moraal: Trouw met geen van die vrouwen, laten we bij elkaar blijven.

Op de Wijse: Doen ick een Doecxken wit sagh blincken, &c.

Men hoort nu seven Wijven kijven,
Om Christi naem of broeck (*1) alleyn,
Sy willen al by Christo blijven,
En doen haer selfs lusten onreyn,
Dus en trouwter geen,
Blijft met een gemeen.

Wie wil de oudst van seven vrijen,
Die al haer goetjen heeft verteert,
In Bastaert en in Romenijen (*2),
Sy is geen Man met eeren weert,
Dus en trouwter geen,
Blijf met een gemeen.

De ander siet de Knaepjes geerne,
Die lustigh opter Luyten slaen,
Het zijn al kitteloorige Deernen,
Men kan haer lusten niet versaen (*3),
Dus en trouwter geen,
Blijft met een gemeen.

De derde Suster onverdroten,
Eet geern van een Kalfs-bout,
Met een Orangien sopken over-goten,
Dat haer maeckt weeligh en seer stout,
Dus en trouwter geen,
Blijft met een gemeen.

De vierde siet men neerstigh loopen,
Nae alderley Braet-pannen vet,
Daer sy haer eygen Broodt in doopen,
Elck leeft hier nae sijn eygen Wet,
Dus en trouwter geen,
Blijft met een gemeen.

De vijfde gaet hier dapper wijden (*4)
Gods Kinder al voor onkruyt uyt,
Die sy hier bannen ende mijden (*5)
En meynen 't is al vast besluyt,
Dus en trouter geen,
Blijft met een gemeen.

De seste soeckt ons wijs te maken,
Dat al wat hier geschiet op Aert,
Godts wil is die men niet mach laken (*6),
Daer zijn wy oock niet mee bewaert,
Dus en trouter geen,
Blijf met een gemeen.

De leste suster van dees seven,
Prijst een dommen Arminiaen,
Die mijn kindt den doop niet wil geven (*7),
Dat icker selfs by mach staen,
Dus en trouter geen,
Blijft met een gemeen.

Ghy Christen Princen uyt-gelesen,
Zijt ghy vry, soo blijft in Christo,
Laet alle secten in haer wesen (*8),
Want 't zijn al ruyge Susters sno,
Dus en trouter geen,
Blijft met een gemeen.


(*1): de broek als symbool voor de macht in het huwelijk
(*2): twee zoete wijnsoorten
(*3): verzadigen
(*4): wieden
(*5): bannen en mijden: zware straffen in orthodox-doperse richtingen
(*6): de predestinatieleer van de contraremonstranten
(*7): de remonstranten waren niet tegen de kinderdoop, al lieten zij tegenstanders van de kinderdoop tot de dienst toe. Blijkbaar betreft het hier een persoonlijke ervaring van Robbertsz.
(*8): laat ze maar in hun sop gaar koken.

Uit: Robbert Robbertsz, De Noordtsche Rommel-pot, 1646?

Camerata Trajectina (artiest), Bavianen en Slijkgeuzen: Liederen van Remonstranten en Contra-Remonstranten. GLO 6031
1995
1: 19