Home     Grasduinen     Over     Zoektips     FAQs     Disclaimer     Meertens Instituut         english

Nederlandse Liederenbank

        - strofezoeken
        - melodiezoeken met klavier        
  
sorteer op

zanger:

Dings, gezusters

woonplaats:             Liessel
geboorteplaats: Liessel
commentaar: Gezamenlijke aanduiding van Anna van Gog-Dings en Jeannette van der Putten-Dings, dochters van Gertruda Dings-Verschaeren

Weergave van die delen uit de gesprekken die op beiden betrekking hadden; dat wil zeggen meestal gaat 't dan over hun jeugd.

Dings 01, blz. 32:

(Maar andere vormen van muziek zijn u niet bekend, geen instrumenten?)

Anna: Helemaal niets.

(Maar dit is wel heel veel hoor, als je zo kunt zingen.)

(U hebt ook wel eens liedjes op school geleerd; kent u daar ook veel liedjes van?)

Anna: Och ja, maar dat is niks voor eh .....

Jeannette: Hier zitten nog de schoolschriften.

(Dat zijn nog de echte schriften die u op school gebruikt heeft?)

Ja, want hier staat 't kaasmaken; we hadden 't net over 't kaasmaken
en hier is dat opgeschreven.

(O ja.) (Maar dat waren waarschijnlijk weer andere liedjes dan het repertoire van uw vader en moeder.)

Anna: Ja, en dat was bij de zusters en dat was meestal ...

Jeannette: van de Heilige Jozef

(Christelijke liederen)

Dings 01, blz. 33:

Anna: We hadden het zojuist over de vooruitgang. De grootste vooruitgang die in ons leven geweest is, is dat de waterleiding is gekomen.
Wat was dat een aanwinst.
Altijd water slepen, altijd uit de put.
En dan was hier bijna overal slecht water. Moest je voor de was en zo, dan moest je het nog verderop gaan halen.
Vroeger ging dat allemaal goed, er waren allemaal zelfgemaakte putten, maar later ja, je had steeds meer vee en dan konden die putten dat water niet aanleveren
En dan in ene keer dan kwam je 's morgens op en dan zat de put dicht. Was die helemaal dichtgeweld. Zat er rondom allemaal zand in en dat was zo'n werk.
Dan moest je ook de buren voor hebben. Daar inklimmen en allemaal uitscheppen
in emmers en dan steeds weer wegdragen totdat je weer water had.
Dat water moest je zoeken, je moest net zo diep gaan tot er water was.
Je moest op een hele grote oppervlakte beginnen met uitspitten, want later hadden
we ook wel stenen putten, maar hier werden de meeste putten van turf gemaakt,
omdat het hier vlak aan de Peel is.
Vroeger werd daar turfgegraven. 't Moest wel stevige turf zijn.
En dan gingen ze die in de rondte leggen en iedere keer moest er maar weer zand ingeschoven worden rondom.

Dings 01, blz. 35:

Anna: Wij zijn er hier verschrikkelijk doorgemoeten met de oorlog. De Engelsen hebben het eerst huis voor huis moeten veroveren, en toen weer teruggeslagen en de Duitser weer huis voor huis.
En er was eigenlijk van Liessel niets meer over.
Er was bijna alles afgebrand en wel zo kapot.
Wij zijn nog in het huis gaan wonen maar ach, alles provisorisch dichtgemaakt.
Er waren allemaal zulke gaten in de muren en dan had je nog kaf, weet u wat dat was vroeger met dorsen, dan had je van dat licht spul en dat was kaf.

(Even nog over die waterputten, welke tijd was dat, wanneer kwam het water?)

Anna: Dat wij water gekregen hebben, mijn jongste dochter die is nu negenentwintig en die was toen drie jaar, dat is dus 26 jaar geleden. Maar wij woonden aan die kant van het riviertje de Aa.
Aan deze kant van het riviertje, die hadden het zeven jaar eerder waterleiding.
Dat is dus maar heel kort geleden.
Altijd hebben wij nog met die put gedaan. Toen later ook, want ik heb 't ooit geteld, toen wij met het vee, dat je in de dertig emmers iedere dag uit de put moest trekken.

Jeannette: Als er dan een goede putmik aan was; dat kennen jullie natuurlijk
ook niet. Dan werd er een paal neergezet met een mik aan, daar moest een spil door
en daar was een boom over - op afbeeldingen zie je dat wel eens - wij moesten het vroeger ook met een staak en dan: O, hopeloos!

Anna: Wij hadden 't echt goed ingericht, een pomp en dan konden we ook zo
naar de stal pompen, maar na een half uur was die leeggeweld en dan hadden we
weer geen water. Toendertijd was die put wel een meter of vier diep en als het dicht was, moest je hem weer helemaal leegscheppen. We hadden nog wel een put aan de andere kant van het huis en dan moest je daar water halen. Dat was de grootste vooruitgang, dat we waterleiding kregen. We hebben altijd op een boerderij gewoond.

Jeannette: Toen we op de Hoogstraat woonden, daar was 't op sommige plaatsen geprobeerd, maar er zat allemaal ijzer in 't water, in de grond.

Anna: Je kon er gerust van drinken, maar de was kreeg je nooit meer schoon.

Jeannette: We hebben een regeninstallatie aangelegd toen wij aan die kant
van het dorp woonden. Daar hadden we een grote tuin, maar die lag hoog en daar
hebben we een regeninstallatie laten maken.
Toen hadden we net alles geschilderd en toen gesproeid, en dat was tegen die
witte verf gegaan. We hebben het helemaal opnieuw moeten verven;
het was gelijk allemaal heel bruin. Mensen die sproeiden met dat water dat tegen
de muur kwam, dan werden die hele muren bruin.
Daar moet je ontzettend mee oppassen; dat was gemeen spul.
Je kon het gerust drinken; 't was heel ijzerhoudend.
Voor de was werd regenwater gebruikt.
Maar van het strooiendak kon je dat niet opvangen; dat was niet schoon genoeg.
Wel van een pannendak en dan werd het water in een regenput opgevangen.

Dings 01, blz. 38:

(Kent u nog meer van die grappige of een beetje spotliederen [Toen Adam in het begin der dagen]soms?
Werden die ook wel gezongen op de Mis?)

Jeannette: Dat deed je vroeger niet.

(Maar u kende ze wel?)

Nee, dat is later ingekomen. Maar in Liessel werd dat niet gezongen.
Misschien in de grote stad. Daar was dat denk ik anders dan hier. Vroeger was hier gewoon iedereen katholiek en daar gingen ze niet mee spotten; dan zou men met zichzelf spotten.

Anna: En dan vroeger, dat was al gezegd, dan ging je niet gauw naar de dokter,
maar ik weet altijd nog dokter Wiegersma, dat was hier de dokter van Deurne,
hier die ganse omstreken. D'r was d'r anders geen; ja, dan was er nog een dokter, maar en dan weet ik altijd nog wat dat kostte, voor de oorlog.
Hij kwam hier in 't klooster, kwam hij dan spreekuur houden en dan kostte 't 'n rijksdaalder.
En moest ie thuiskomen, dan kostte 't twee rijksdaalders, maar moest hij zondags komen dan was 't tien gulden.
Maar in die tijd verdiende er niemand nog geen tien gulden in de week, nog niet.
Dan zeg ik altijd, dat was wel zo duur en dan medicijnen, hadden ze toch niet, eigenlijk. Dat was ontzettend duur.

(Maar ook die ? 2,50 vind ik erg veel.)

Ja, want in die tijd voor de oorlog; ik heb nog een tijd gewerkt voor twee kwartjes
per dag. 's Morgens om half zeven was ik bij de boer tot 's avonds tien uur.
Voor twee kwartjes, maar ik wil maar zeggen als ze dan een rijksdaalder voor een keer (dus je deed zelf veel) je ging niet naar de dokter, dan was je ongeveer dood.

(Dat was voor iedereen? Nu heb je het ziekenfonds.)

Nee, ik weet nog goed dat er niemand verzekerd was.

Jeannette: En dan was hier dokter Wiegersma. Die kwam hier op de plaats
en dat was voor een kind, lieten ze hem komen en hij ging aan 't mopperen,
ze hadden veel te lang gewacht.

Ja maar dokter, ik heb hier nog zoveel rekeningen liggen, en die kan ik niet betalen. Moet daar dat kind voor doodgaan, voor de rekeningen! Als ik weer terugkom moeten
de rekeningen klaarliggen. Toen kwam er een rekening die ze wel konden betalen.

Daar werd hij zo kwaad om, als ze maar 'n wil hadden, ze moesten wel 'n wil hebben om te betalen.

Anna: Dokter Wiegersma die heeft van die rondten, eigenlijk ten alle antiek.
Had die later. En dan hebben ze mij wel eens gevraagd: Is hij daar eerlijk aangekomen? Ik zeg ja jawel, daar was hij wel eerlijk aangekomen. Daar waren allemaal arme mensen, dan hadden ze iets in huis en ja, dan konden ze niet betalen
en dan: "Dat vind ik wel mooi" en ja, dan werd er overeengekomen,
als ik dat krijg, dan hoef je niet te betalen. En zo is hij aan de antiek gekomen.

(Heeft hij zo een hele antiekverzameling opgebouwd?)

Maar nu is 't altijd wel een museum en zo, maar die antiek is allemaal weg;
daar is niets meer van.

(Maar als die mensen nu vroeger ziek werden, wat gebeurde er dan. Hadden ze dan
zelf middeltjes?)

Anna: Ja dat wel meer als nu.

Jeannette: De Weest die kon 't verschrikkelijk zelf hé.

Anna: O ja.

Jeannette: Die heeft ook, die is zelf met operaties aan de gang geweest.
Enne, hé bah, ons moeder ....... Snij er maar, zei ie; gaat 't goed dan gaat 't goed
En gaat ze dood, dan heeft God 't gewild.

Anna: Zo praatte hij altijd.

Jeannette: Maar als wij echt ziek waren, dan was hij heel bezorgd.

Anna: Als er iemand in de wachtkamer kwam of bij hem op 't spreekuur,
en dan zei ie: Ja, jij gaat kapot. Maar dan was 't niet erg.

Jeannette: Er kwam er ook eens een die, ja hij praatte dikwijls zo maar:
Ik ben mevrouw die of die. En toen trok hij de deur van de wachtkamer open
en toen zei hij: Ik help jullie allemaal voor niks want ik heb een mevrouw hier.
Die moest voor mevrouw betalen.

Anna: Ja, prins Hendrik die kwam hier naar dokter Wiegersma.

Jeannette: Ja, maar die had van over hoeveel anders dat er gekomen zijn.

Anna: Maar ik zeg, medicijnen dat was er niet in die tijd. Kennis had ie wel.

(Waren er geen andere genezers, die geen dokter waren?)

Nee.

(Strijkers of belezers?)

Jeannette: Hier in Liessel, dat kan ik niet zeggen.

(Ik denk dat de mensen gewoon hard voor zichzelf waren.)

(Ja, maar er waren toch in andere streken wel, zeg maar genezers.)

Ik kan niet zeggen dat je in Liessel ooit een is geweest.

(In de omgeving ook niet?)

Niet dat ik weet. Toendertijd niet.

(Nu wel?)

Maar later wel ja.

(En hoe noem je dan die mensen, wat zijn dat voor mensen?)

Anna: Weet u wat ze dan hier dikwijls zeggen? Die of die is naar dat menneke geweest.

(Maar kruidendokters en zo?)

Jeannette: Om te zeggen, ja er is een in Lottum, die met kruiden werkt meer. Maar hier in Deurne is een vrouw die werkt helemaal niet met kruiden,
om te zeggen ja.

(Wat doet ze dan wel?)

Met haar handen. Die zal nee zeggen, want daar ben ik ook geweest, ik kon daar niet met mijn armen, ik moet altijd geregeld op controle, ik zeg ik heb toch zo'n last met mijn arm, die zit helemaal vast.
Ben ik daar naar toegegaan, kwam ik weer daar.
Hoe is 't met de arm? Stak ik 'm zo maar omhoog.
Ik zeg: Ik ben bij een paragnoste geweest.
Zei ie: Ja, hij zat helemaal vast omdat er een zenuw bekneld zat.
Maar om te zeggen die zal van (?) kerk (?) zei ze (?) als de (?) kant
van de geboorte af heb ik dat al gemankeerd en dan zeggen ze ook, ja maar dat is er allemaal mee. Dat hebben ze zo uitgeprobeerd.
Toen tante Stien begraven is, ben ik er ook geweest, dezelfde dag nog,
en toen was Paul nog meegeweest van ons Ans (?) en over de gang ja,
ik was naar een begrafenis geweest en toen zei ze: Ja, in Limburg daar gaan ze nog flink aan de borrel. Ik zeg nee.
O ja, maar gij bent maar in Helden geweest, maar meer onder in Limburg.
En toen zei Paul ook: Oma dat had ik eigenlijk niet gezegd. Maar dan zo en dan ziet ze alles, ziet ze zo voor zich. Ik zeg: Hoe ziet u dat nou, ja .....
(onverstaanbaar).

[kennelijk kost het haar moeite dit te vertellen]

En ook om te zeggen als er mee komt, die is vermoord of zus of zo, of wat dan ook,
dat ziet ze allemaal. Ooit zomaar 's nachts ........ dan zie ik soms dingen zomaar veur me. Maar die wil absoluut geen, het is echt een helderziende, ze wil absoluut niet genoemd worden, want daar wil ze niks mee te maken hebben.

(Maar die is van zichzelf helderziende?)

Dat is ze, ze kan wel een heel, als jij ......... overgemaakt hebt en als ze zo,
zal ik maar zeggen, je hoeft ze maar te bellen, die heeft foto daar.
Mijn moeder, weet je van, een jaar van tevoren kreeg ze veel last van haar knieën, hebben we een foto meegenomen van ons moeder, van oma, van mijn moeder,
van ons moeder en daar hebben we niks van tegen haar gezegd, maar ze kon wel direct weer beter lopen.
En toen de dag dat ze gestorven is, toen zijn wij er ook nog helemaal, toen moesten we vlug weg want, naar oma.
Ik zeg: Ze sliep al; volgens mij is ze in coma. Maar ze slaapt héél zachtjes weg,
zei ze en het was wel waar. Ze wist het ....... wel.

(En die zit in Deurne, die vrouw?)

Ja, ze komen er ook van ver. Vorige week kwamen ze met vijftien Duitsers tegelijk. En toen had ze gezegd: Dat niet meer. Want ja, dat is, zij heeft afspraken om die tijd
en dan zoiets en als ze dan ineens met zo'n grote hoop komen.

(Maar ze heeft een soort praktijk?)

Die heeft een praktijk. Dat is niet zomaar illegaal, dat is echt niet.

(Geeft ze ook geneesmiddelen?)

Niks ------- (ze praat op de achtergrond) ---------.

(Nee, maar ik heb wel vaak gehoord dat je vroeger als mensen bijvoorbeeld.....)
repertoire