Een ruiter (ridder) wijst een meisje af omdat ze hem te armoedig is. Het meisje gaat hierop in het klooster. Na een aantal jaren heeft de ruiter spijt van zijn beslissing en gaat het meisje opzoeken. Helaas is de liefde geheel over, het meisje is nu de bruid van Christus en wijst hem af. Daarop schiet de ruiter zichzelf neer. Als de non hem vindt begraaft ze hem en ze zal haar leven lang zijn graf blijven verzorgen.
Vanaf de 15e eeuw vindt men in de Nederlanden wijsaanduidingen die naar de eerste versregel verwijzen. De oudste Nederlandstalige bronnen dateren echter uit de 16e eeuw: Het Antwerps Liedboek (1544) en het Liedboekje van Jenneken Verelst (1540-1550). Mogelijk circuleerde het vooral in het mondelinge circuit. Pas vanaf eind 18e eeuw duikt het in Duitse geschreven bronnen op. Thans geldt het als de meeste verbreide ballade van Europa. In de 2e helft van de 20e eeuw werd het nog in het Nederlands taalgebied gezongen (zie de opnamen van Onder de Groene Linde). In verschillende Duitse lezingen (Erk u. Böhme, Deutscher Liederhort I, p313) is de ruiter vervangen door een “‘s graven zoon”. tekst
first line author | title source
tune indication standard name of this melody stanza form