Een rondtrekkende priester vertelt over Jezus die op het altaar in het tabernakel woont. Een kleine jongen gaat vervolgens de kerk in, klimt op het altaar en klopt op het tabernakel; het vraagt of Jezus zijn vader, die vloekt en zijn kinderen slaat, op het rechte pad wil brengen. Zijn gebed wordt verhoord: de vader krijgt berouw en bekeert zich.
first line author | title source
tune indication standard name of this melody stanza form